Almost in elvis

Door John Schoorl en gepubliceerd in de achtste uitgave, getiteld I Forgot To Remember To Forget.

Het is makkelijk om verliefd te zijn. Om met een bootje te varen, om samen de sterren af te zoeken, om naar haar lange benen onder haar korte jurkje te kijken en om weg te suizen van de realiteit. Je hebt het over suddervlees, rubbervlees, rode postbussen en achtertuinen.
Maar probeer ‘ns Almost In Love, bijna verliefd, te zijn – een onmogelijke operatie. Alles wat je wilt doen, doe je dan net niet, of je wacht er even mee. Je gaat ergens bijna naar toe, maar opeens ga je er bijna niet naar toe.
Reis nou eens bijna naar de Argentijnse binnenlanden, of aanschouw bijna een Islamitisch wereldwonder, een bijna-assistant account-manager, een bijna-psychopaat.
Een bijna-Elvis.
Een bijna-Koning.
Een bijna-plaat.
Maar is een bijna-Elvis een helemaal-Elvis voor altijd en voor in de eeuwigheid? Want dat is de vraag.

Almost In Love heb ik nooit gekocht, gejat of gekregen. Opeens bleek ik ‘m te hebben en stond-ie in de kast tussen Seperate Ways en Guitar Man. Almost In Love is in mij getreden: ik heb ‘m als fijn stof beetje voor beetje geïnhaleerd, daarna hardvochtig uitgerocheld en het werd vanzelf weer een geheel.
Reconstructie: Ik ken een dikke man die weer een andere dikke man kende en die kon niet meer lopen. Zijn zaak zag eruit alsof de platen zich hadden verstopt. Hij rookte als een bootwerker en zijn huid had de kleur van aangekoekte koffieprut.
Vroeger ging-ie nog weleens naar een platenmarkt of verkocht-ie zijn waar op een beurs. Maar dat ging niet meer vanwege zijn benen, en hij kwam niet meer van zijn platen af. Zelfs niet die van Elvis.
Mijn dikke kennis las over die dikke man en over Elvis en een gloedvolle aanbieding. Hij bestelde een onbekend vrachtje vinyl voor mij. Op een dag was er een pakket vol platen, in een verpakking van vuilniszakken en dik, bruin plakband.
In een Smith’s paprika chips-doos zaten veertien Elvis-platen die ik allemaal kende, en ik geloof ook allemaal had, of misschien een paar nog niet.
In die lading moet-ie ertussen hebben gezeten, is Almost in Love als het ware als een verstekeling mijn huis binnengekomen.
Ik heb ‘m ooit een keer gedraaid, vermoed ik. Ik zie dat ik het prijsje er geprobeerd heb af te pulken, wat nagenoeg gelukt is.
Eén keer in mijn Elvis-geschiedenis ben ik in bijna-Elvis geweest. Op het moment zelf had ik er geen erg in, maar toen ik later de foto terug zag, begreep ik het onmiddellijk.
Stilte (schaamte).
Ik liep in Graceland en had net de ontroerende rondleiding in zijn huis achter de rug. Buiten onder een afdakje voor het winkelgedeelte zat Vester Presley, de oom van Elvis. Hij had een boek gemaakt met recepten, en hield een slecht bezochte signeersessie.
Vester zag er piekfijn uit met een hoog opgehaalde blauwe broek, witte instappers en een licht gekleurd, geruit overhemd. Uit zijn borstzakje stak een balpen, en hij droeg een witte hoed met een bruine band.
Nee, dan ik, de bijna-man, die gearmd met Vester op de foto staat.
Lees allemaal lachend hardop: korte broek en buideltas, korte broek en buideltas, korte broek en buideltas, korte broek en buideltas (2x).
Erger bijna ben ik nooit meer geweest.
Sommige platen van Elvis passen bij het humeur van de dag, en die zet je op als het noodzakelijk is. Om Almost In Love te draaien heb je geen gemoedstoestand nodig. Er is van alles een beetje, je kan met deze plaat alle kanten op en dat is wel zo prettig.
Kalm. Hoopvol. Onrustig. Snel. Demonstratief. Opgejaagd. Gedwee. Romantisch. Koortsig. Ontroerend. Chagrijnig. Allemaal aanwezig. Almost In Love biedt de alles-Elvis, daar komt het op neer.
Bijna alles overigens, aangezien het enige afwijkende aan de plaat onze Huisvriend zelf is. En daarmee bedoel ik vooral zijn voorkomen zoals dat op de hoes is te zien. Zijn haar zit goed, voor zijn bakkenbaarden in de vorm van een plamuurmesje kan ik wel respect opbrengen en op zijn blauwe handgemaakte jumpsuit valt weinig af te dingen.
Maar ook: zijn mond hangt half open en hij buigt een beetje naar voren. Hij ziet iets wat hem bevalt, daar ga je dan je aan denken.
Ze zit op de tweede rij, stoelnummer 14, in de zaal. Hij heeft die vrouw met die glimmende blonde krullen nooit eerder gezien, dat weet hij zeker. Aan het einde èn aan het begin van elk nummer kan hij alleen nog maar naar haar kijken. In de pauze bespreekt hij het zelfs met James, zijn gitarist, en vraagt hij zijn lijfwacht of na de show dat meisje gepolst kan worden.
Maar aan het begin van de nieuwe set is ze opeens weg. Even weet hij niet meer waar hij moet kijken. De zaal is kaal en vaal geworden. Alsof iedereen is weggevlucht na een brandalarm. Hij hoort nog wel blij geschreeuw, maar het komt niet meer aan. De show is gedaan, zonder haar. Hij lijkt wel Almost In Love.