Almost in Love

Door Rob Zeeman, geplaatst in 1e editie van Almost in Elvis, getiteld Goin’ Home.

Mijn eerste Elvis-ervaring was op een miezerige zondagmiddag ergens in ’74. Zo’n ouderwetse zondag waarop ook in Amsterdam geen pest te beleven viel. Pure verveling dreef mij en mijn broer naar het Ceintuurtheater, een kleine, uitgewoonde bioscoop die als enige een vroege middagvoorstelling had. Dat ze ‘Elvis on Tour’ draaiden kon ons niet schelen. Op zondagmiddag stonden we voor alles open.

Het was een ongelofelijke kutfilm.

Goed, we hadden het kunnen weten. Iemand die zich in zulke foute glitterpakken hees en zich ‘The King’ liet noemen kon niet anders dan een charlatan zijn. Maar ‘Elvis on Tour’ was werkelijk op alle fronten fout. De split-screen-overkill, waar je na vijf minuten al scheel van zag; de goedkope glamour die aan versleten circusacts deed denken; de potsierlijkheid van The King en niet te vergeten de muziek. Oude lullenmuziek van eeuwen voor onze tijd. Ooit had hij de wereld veroverd, maar de generatie die Elvis aan zijn voeten had weten te krijgen kon niet anders dan morsdood en begraven zijn.

We waren vijftien en zestien en hielden van The Doors, Velvet Underground, Jimi Hendrix. Dat er nog mensen bestonden die Elvis goed vonden was voor ons een volslagen mysterie. We waren zelfs nog nooit een fan tegengekomen. Ook niet bij ‘Elvis on Tour’ want behalve wij twee had er niemand anders in die zaal gezeten.

Drie jaar later dook The King voor de tweede keer op. Tijdens de vakantie. Met dezelfde broer naar Wenen, stad met de mooiste kerkhoven ter wereld. Daar hoorden, lazen en zagen we dat hij was overleden. Voor de eerste keer sinds ons vertrek zag ik mijn broer glimlachen. Heel de wereld rouwde en nog steeds kenden wij niemand die van Elvis hield.

Dat is bijna vijfentwintig jaar zo gebleven. Tot ik onlangs een plaat in mijn handen kreeg geduwd. Almost in Love, een compilatie-LP uit ’70, met Elvis-filmnummers uit de periode 1967-1969. Of ik daar iets over wilde schrijven voor Almost in Elvis.

‘OK,’ liet ik weten, ‘maar ik ben geen kenner en zeker geen liefhebber.’

Ik heb Almost in Love vele keren gedraaid en moet ik bekennen dat mijn oordeel redelijk mild is. Misschien omdat ik inmiddels zelf een ouwe lul ben. Mogelijk, maar ik hou er toch een andere theorie op na. Bij het draaien van Almost in Love hoorde ik voor het eerst Elvis-muziek zonder beelden van de zanger erbij. Dat scheelt een hoop. Zonder die visuele ellende komen zijn nummers veel beter tot hun recht en merk je ook hoeveel humor er in zit.

In zijn totaliteit is Almost in Love een vrolijk allegaartje van stijlen. Je hoeft geen kenner te zijn om te horen dat de plaat een curiositeit is, maar dat maakt hem juist goed te verteren.

De titelsong Almost in Love, waar de plaat mee begint, is een Sinatra-achtig nummer. Ben geen liefhebber van het patjepeeërgenre, maar Elvis weet er hier een opvallende tederheid in te leggen. Iets wat hardzinger Sinatra maar zelden voor elkaar kreeg.

Het daarop volgende Long Legged Girl (With A Short Dress On) is een stuk swingender, maar niet bijzonder. Het begint pas echt bij Edge of Reality, een lekker nummer met schizofrene trekken:

Oh I can hear strange voices echo
Laughing with mockery
The borderline of doom I’m facing
The edge of reality

Typische filmmuziek. Melodie en achtergrondkoortje zorgen voor een ruimtelijke sfeer, waarin met een aantal korte coupletten het verhaal verteld wordt. Overtuigend.

Mijn favoriet is My Little Friend. Een smartlap uit één stuk. Over een verloren eerste liefde, waar de zanger nog elke keer aan denkt als hij met een andere vrouw het bed in duikt. Qua tekst op het randje, maar verder een nummer dat staat als een huis. Subtiele tegendraadse orkestratie, maar zonder poespas.

Na My Little Friend is het gedaan met de tederheid. De volgende vier nummers zijn steviger en grappiger. Vooral U.S. MALE, een geweldig overdone redneck-nummer dat bij de eerste keer al aansloeg:

You touch her once with with your greasy hands
I’m gonna stretch your neck like a long rubber band
She’s wearing a ring that I bought her on sale
And that makes her the property of this U.S. MALE’

Dit nummer is opgenomen op 16 januari 1968, van tien uur ‘s avonds tot vroeg in de morgen. Kan me voorstellen dat ze bij zonsopgang flink lam waren, al is het aan de muziek niet te horen. En ook de maker van het nummer, Jerry Reed, moet toch een flinke slok op gehad hebben toen hij de laatste regels schreef:

I’m gonna lay one on ya. You’re talkin’ to the U.S. MALE
The AMERICAN U.S. MALE…

Na U.S. MALE zakt de plaat naar een belazerd peil. Het een na laatste nummer CHARRO, uit de gelijknamige film, is nauwelijks te harden. Hoog ‘brandend zand’-gehalte en muziek waar verder geen woorden over vuil gemaakt hoeven worden. De tekst zegt voldoende:

Oh no!…Charro don’t go!…
Charro don’t go!!…

Afsluiter Stay Away Joe is met zijn twee minuten en zeven seconden toch een lang nummer. Had een stuk korter gemogen en ook de met hey’s, ho’s en yeh’s doorspekte tekst had achterwege kunnen blijven. Het is verreweg het meest bizarre nummer van de plaat. Met als enige verdienste dat het nauwelijks voor te stellen is dat het gezongen wordt door iemand in een witte jumpsuit.

Ben ik nou bekeerd na Almost in Love? Nee. Maar Elvis is wel een stuk minder dood dan voorheen. Na het beluisteren van gangbaarder Elvis-werk moet ik bekennen dat die gek echt goed kon zingen. Zijn ‘Heartbreak Hotel’ is onmiskenbaar veel beter dan de Psycho-achtige uitvoering van ex-Velvet John Cale. En aan zijn humor kunnen mijn jeugdhelden nog een puntje zuigen. Maar dat zal niet makkelijk gaan, want de meesten zijn al morsdood en begraven.