EN NOU GA JE ELVIS DRAAIEN!

Door Hans Schoots, verschenen in de vijfde Almost in Elvis, getiteld Desert Storm.

Toen de redactie van Almost in Elvis mij een exemplaar van Elvis’ elpee Almost in Love ter bespreking overhandigde, wist ik het zeker: de redactie houdt niet van deze plaat. Wat moet je anders denken van een elpee die er zo vuil uitziet dat je hem niet op je platenspeler durft te leggen zonder drastische schoonmaakbeurt, met een hoes die aan drie kanten open is, zodat de inhoud er aan alle kanten uit kan vallen, en een binnenhoes die alleen nog bestaat uit een paar losse flarden papier.
Zelf ben ik geneigd tot meer respect voor De King, al is dat bij mij ook niet altijd zo geweest. Noem het voortschrijdend inzicht, of misschien gewoon maar meteen schuldgevoel. Om dat laatste uit te leggen moeten we vijfendertig jaar terug in de tijd, naar de jaren 1968-1969, toen ik vier avonden per week als DJ werkzaam in de Hills Club op de Heuvel in Tilburg. Een DJ was toen nog iemand die plaatjes aan elkaar praatte. Als achttienjarige vond ik het een hele eer om topveertigplaten – we hebben het dan wel over Beatles, Stones en Beach Boys – te mogen afwisselen met de groten van de soul en tussendoor wat van de ‘underground’ te kunnen draaien waar ik toen zelf in was. Een paar Jimi Hendrix-nummers maakten wat mij betreft al een goede avond, en wanneer de zaal nietsvermoedend enthousiast werd van Zappa’s Cruising with Ruben and the Jets voelde ik een aangenaam superioriteitsgevoel in mij opkomen. De hoogmoed van de jeugd!
Tot er op een dag een groepje jongens met vetleren jassen en bijpassende vetkuiven mijn kant op kwam en een van hen mij over de draaitafels bij mijn kraag greep en zei: ‘En nu ga je Elvis draaien!’ In de wetenschap dat er een daadkrachtige uitsmijter bij de deur stond, gaf ik de agressor een klap met een platenhoes. Van welke plaat weet ik niet meer, maar in mijn fantasie was het natuurlijk Ruben and the Jets. Stel je voor: Elvis draaien! Die man was al drie keer dood en zijn afgetakelde volgelingen kwam je alleen nog af en toe in een snackbar tegen. Mijn klap leidde tot ontnuchtering: ‘Nou, dan niet’, zei een van de Elvisfans, en even later hadden ze het gebouw al weer verlaten.
Had ik mij, jeugdige onnozele, wat meer verdiept in de voorgeschiedenis van de Hills Club, dan had ik geweten dat dit voorvalletje uitdrukking was van een tragedie. Pas later werd mij duidelijk waarom ik in de Hills Club werkte en niet in Zaal De Looiersbeurs, zoals diezelfde tent vele jaren had geheten. Dancing De Looiersbeurs was kort daarvoor nog een vetkuivenbolwerk geweest, een thuis voor Tilburgse Elvisaanhangers. Elvis was helemaal niet dood. Alleen was de Looiersbeurs herhaaldelijk gesloten op last van de politie, vanwege de nodige vechtpartijen. Ik bleek onderdeel te zijn geweest van een poging van de gevestigde orde om dat broeinest van onrust op te ruimen. Wat mede dankzij mijn onderkruiperswerk lukte: op die ene keer na vertoonden de jongens met de Kreidlers en de dikke leren jasjes zich niet meer in de Hills Club. Ze waren hun onderdak kwijt. Naderhand zullen ze successievelijk wel getrouwd zijn geraakt en naar verhouding oppassende vaders zijn geworden.
Maar sindsdien sta ik niet meer zo makkelijk klaar om Elvis belachelijk te maken. Wij schopten indertijd als jeugdige onwetenden tegen degenen die ons voor waren gegaan. Maar alles waar wij van hielden was er niet geweest, zonder Elvis en de zijnen. Volgens mij is Almost in Love best een goeie plaat.