Elvis weet het niet meer

In deze vaste rubriek van digizine wordt telkens één foto of illustratie, waarin de grote E centraal staat, bewierookt en op schrift bezongen. Waar woorden tekort schieten is er altijd nog Elvis A. Presley.

Dit wenselijke beeld is helaas niet echt.
Elvis, met een pen in de aanslag, gereed om zelf een liedje te schrijven. En ach, wat valt het hem zwaar. Het zweet gutst langs zijn slapen naar beneden en valt in de geul tussen zijn hals en zijn hoge kraag. Het kietelt en Elvis krijgt een ingeving voor een titel van een liedje.
Kietel mij,’ schreeuwt de koning, ‘Nee, dat is al een keer gedaan.’
De zanger haalt een handdoek langs zijn gezicht en veegt het zoute vocht weg dat tussen de rimpels van zijn voorhoofd gevangen zat.
Hij, die zoveel te vertellen heeft als één van de zoveel zonen van de witte achterkant van de samenleving. De familie Presley was niet zwart, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Dan wordt zoonlief beroemd; hij zingt wat de zwarten niet mogen zingen. Hij wordt rijk, bewonderd, onbegrepen, verslaafd en een levende mythe. Echter, hij krijgt geen woord op papier.
De man heeft niet alleen alles meegemaakt, maar heeft ook honderden liedjes gezongen van anderen. Graai uit elk lied één woord en maak daarmee een nieuw nummer. Niemand zal het merken. Nochtans, hij krijgt geen woord op papier.
De handdoek gaat nog eens langs de oogleden, de wangen, de nek. De rocker van weleer transpireert als een kat onder zijn oksels. Het beeld van de pen tussen zijn vingers wordt steeds ongemakkelijker.
Elvis werkt hard op deze foto en dat is een prachtig gezicht. Maar hij verricht niet de gewenste arbeid.
Graag neem ik u mee naar een hotelkamer, hoog boven de smog, veroorzaakt door de adem van die hijgende gokkers in Las Vegas. Het is december 1976. Elvis zit aan een kant van het bed naast een nachtkastje. De kamer wordt plaatselijk verlicht door een leeslampje. Voor het raam hangt aluminiumfolie om het zonlicht buiten te houden en de koelte binnen. Elvis heeft een handdoek om zijn nek. Hij zweet nog na van een routineklus op het podium. Hij heeft ook nu een pen in de hand en hij schrijft op het briefpapier van het hotel: “Ik voel me soms alleen. De nacht is stil voor mij. Ik zou graag kunnen slapen. Ik ben blij dat iedereen nu weg is. Maar ik zal wel geen rust krijgen. Ik heb dit allemaal niet nodig. Help mij, heer.”
Je zou wensen dat hij deze opbeurende woorden niet echt had geschreven.