ALMOST IN LOVE, OFWEL: NICE PRICE ELVIS

ELVIS KLIEKJES VOOR MAAR $1.98! SLA JE SLAG!
elvis_69_stage

We schrijven de zomer van 1976.
Presley had het al een tijdje willen doen, en tonight’s the night. Tijdens de soundcheck had de band het nummer haastig geoefend, op verzoek van Charlie Hodge. Niemand kon Elvis’ fascinatie met dit nummer helemaal plaatsen, maar oké, hij is de baas en ze waren de laatste tijd wel vaker perplex over de songkeuzes van hun werkgever. En het ligt ook aardig in de lijn van die andere bombastische werkjes waar hij tegenwoordig zo enthousiast over is, zoals The Last Farewell en America The Beautiful.
Sherrill Nielsen heeft zijn harmony parts al vrij snel onder de knie, en J.D. Sumner bromt de songtitel een paar keer door zijn microfoon alsof hij een demonstratie doet over de gevolgen van kettingroken. Joe Guercio kijkt nog een beetje beduusd om zich heen, maar ook het orkest is min of meer paraat.
Die avond, na de band introducties die onderhand al bijna een half uur duren, kondigt Presley het nummer aan. Bij nieuwe toevoegingen aan de show is hij altijd wel een beetje nerveus, en vanavond is dat niet anders.
‘Ladies and gentlemen, I, uh, I’d like to, uh, do a song that we did about 12 years ago’, stamelt hij onhandig, terwijl hij met zijn linkerhand het zweet van zijn voorhoofd afveegt.
Feitelijke gegevens over zijn carrière waren nooit zijn sterke kant geweest, en ook vanavond zit hij er een paar jaar naast. Het nummer dateert namelijk uit 1968, maar ach, een kniesoor die daar over valt.
‘It’s a song called, er, what’s it called, Charlie?’ vraagt Elvis aan Charlie en gelijk valt hem op dat zijn mannetje-van-alles weer aardig last heeft van winderigheid.
‘Damn Charlie!’ bijt hij de blozende man scherp toe.
‘Charro!, ‘ zegt Charlie gauw, in de hoop dat Presley hem niet wéér en-public voor paal zet.
Vanavond heeft Hodge geluk. Elvis richt zich weer tot het publiek en zegt: ‘It’s a song called Charro!’.
Elvis kijkt dan naar Ronnie Tutt, die de eerste maten aantikt, waarna de hele band strak inzet. Met dramatiek en overgave zingt Elvis de eerste regels van het nummer, met behulp van een A4′tje met de songtekst dat hij in zijn linkerhand heeft. Hij probeert niet eens te schuilen dat hij de tekst niet kent. Een Koning heeft nu eenmaal bepaalde voorrechten.

With eyes that hide the man within
You see behind the eyes of other men
You’ve lived and died and come to life again
And now you stand alone at the crossroads of your mind
You’ve left your yesterdays behind
But which road leads you to tomorrow?

1973_april_29_seattle_washington_4

Elvis voelt dat hij er lekker in zit, en het nummer gaat er bij het publiek in als koek. Guercio staat weer heftig met zijn armen te zwaaien. Wat een patjepeeër, denkt Elvis nog. David Briggs kijkt weemoedig naar het glas whisky dat op zijn instrument geparkeerd staat, en droomt nog even na van die snol die hij de avond ervoor opgepikt had in de bar van de plaatselijke Holiday Inn. Er zijn nog steeds wel geneugtes on the road, maar de show zelf verveelt hem eindeloos. Ook het enthousiasme van Presley voor dit soort imbeciele nummers vind hij maar moeilijk te verteren. Was dit echt dezelfde vent die hij jaren geleden op een jukebox Mystery Train had horen zingen? Destijds was dat voor de jonge Briggs een enorme cultuurshock, nu stond hij samen met diezelfde man op het podium en speelden ze drakerige James Last muzak. ’The mind baffles’, zucht Briggs voordat hij snel nog een slok neemt. Hij weet dat Presley er niet kapot van is dat hij whisky drinkt op het podium, maar zonder kan hij gewoon niet. Je hebt toch IETS nodig om je door deze godvergeten tournees heen te jassen. Hij werpt een blik richting zijn opgeblazen werkgever, die 5 meter van hem vandaan daar hevig zwetend staat te blèren in een protserig blauwe keteldracht met presidentiële zegels op de grote riem. Briggs schaamt zich voor deze kitscherige, stompzinnige en a-muzikale trainwreck van een show, maar ja, hij heeft het geld nodig, zeker nu hij door zijn drankproblemen aardig wat stennis heeft met teveel mensen in Nashville. En daarbij past deze hele vlucht in onverschilligheid hem eigenlijk wel prima. Het liefst wil hij niets voelen. En zo te zien heeft iedereen in de show dat een beetje zo.
Elvis is nu al bezig met het derde couplet, en hij heeft er duidelijk schik in, met name bij zijn harmonieën met Sherrill op regels als: ‘For when you left you took his pride away’. Met verve stort hij zich op het volgende couplet, dat hij brengt als een recitatie. Eén van zijn favoriete LP’s is al jaren Where Does Love Go van Charles Boyer, en diens dramatische vertelstijl had Elvis af en toe al eens geleend op nummers als What Now My Love en You Gave Me A Mountain. Vanavond doet het bij Charro: ‘There’s something hanging in the wind… Charlie!’ gniffelt hij, een insider-grap over diens winderigheid. Maar hij gaat serieus verder, en hij articuleert de zinnen duidelijk en legt op bepaalde woorden de nadruk.

Your past is catching up and closing in
You’ve been halfway to hell (nadruk op ‘hell’) and back again (indringende fluistertoon)
And now you laugh in the devil’s face (met bravoure)
with your last breath (met ‘lucht’ in de delivery)
You’ll run a race with life and death (vastbesloten)
But will you live to see tomorrow? (wereldmoe)

Hij eindigt dit epos met een grote oerkreet à la Hurt: ‘Charro, CharroooOOOOO!!!’ en samen met het hele muzikale circus achter hem brengt hij het nummer tot een denderend einde. De zaal ligt plat! Elvis kijkt vragend achter zich. Guercio ziet er verschrikt uit, Charlie kijkt met verrukking naar zijn meester.
‘OK folks, wanna hear it one more time,’ zegt hij, meer constaterend dan vragend.
Thus spoke Elvis, en zo geschiedt dan ook. De enorme zee van toeters, blazers en pauken achter hem zwelt weer dreigend op, en weer zet de monarch van het drama het nummer in. En aan het einde is de reactie uit de zaal wederom verpletterend. Die Elvis toch!

Is bovenstaand verhaal fictief? Tuurlijk. Waarbij wel aangetekend mag worden dat deze fictie aardig wat waarheden bevat. Het verontrustende is dat dit eigenlijk helemaal geen onwaarschijnlijk scenario is, en dat Presley nog wel eens gekker geflikt heeft. Truth is often stranger than fiction. Wat is dan eigenlijk de waarheid van Elvis Presley? Wat hij een genie, of was Elvis een idiot savant die af en toe geluk had? Wat voor dat laatste spreekt is de stelling van kritische fans dat je zijn uitbarstingen van grootsheid kunt groeperen in momenten: de Sun Sessies, Elvis Is Back, de ’68 comeback, de Memphis sessies in ’69… En dan nog meestal door de inzet van anderen: Sam Phillips, Steve Binder en Chips Moman. Hoewel het verleidelijk is om de carrière van Elvis zo in vakjes te stoppen, denk ik dat je hem daarmee geen recht aandoet en ik denk vooral ook dat het niet klopt. Jaren geleden zag ik de acteur / komiek Rob Schneider op Conan O’ Brien. Schneider zei dat Elvis vaak pure afval opnam omdat hij geen quality control button had. Waarop Schneider samen met de huisband een niet onverdienstelijke versie van Plantation Rock neerzette. Inderdaad gaan het goud en de bagger bij Elvis bijna hand-in-hand, soms bij één en dezelfde sessie. Of hij zelf het verschil zag was nog niet eens altijd duidelijk. Eigenlijk opvallend ook dat vrij veel van de opnames die we vandaag zien als de hoogtepunten uit zijn carrière, destijds vaak het gevolg waren van allerlei toevalligheden, soms tussen twee takes van een ander nummer even losjes ingezet, of aan het einde van een sessie nog even gauw gedaan in één take, zoals Reconsider Baby.

Als je Elvis’ carrière in dat licht ziet, dan hebben wellicht zelfs platen als Almost In Love een zeker bestaansrecht. Wetende dat de meeste Elvis fans destijds onder de arbeidersklasse vielen, was het voor RCA en Elvis’ management zinvol om Elvis platen uit te brengen voor een budgetprijs. RCA had hiervoor het sublabel Camden. Eigenlijk was het idee zowel simpel als geniaal. Je neemt wat restmateriaal uit de archieven, rotzooi waar je toch niets mee kunt doen, je doet er nog wat inferieure filmnummers bij, die je al uitgebracht hebt, een mooie recente ‘hunk’ foto van Elvis op de cover en hopsa: je hebt een nieuwe LP. Die Camden platen zijn destijds door hun aantrekkelijke prijs met bakken tegelijk verkocht. Voor veel mensen was dit hun eerste introductie met Elvis Presley. Voor mij was dat ook zo. Tijdens een vakantie in de Verenigde Staten in ’79 kreeg ik van mijn vader de LP C’mon Everybody, en zo begon mijn fascinatie voor Elvis. Maar daar waar deze laatste plaat zeker zijn momenten heeft, zijn die op Almost In Love toch wat dunner gespreid. Je moet er niet aan denken dat dit voor veel mensen hun eerste kennismaking was met Elvis, maar eerlijkheidshalve denk ik dat de doelgroep destijds, laaggeschoolde vrouwen van in de 30 en ouder, er best tevreden mee was.
De plaat opent met Almost In Love, een mooie romantische ballade met een tikje Zuid-Amerikaans bloed. Elvis croont dit met veel warmte. De begeleiding is sober en stijlvol, een beetje jazzy zelfs. Vrij ongewoon voor Elvis en best wel oké als je ervoor in de stemming bent.
Dan maakt de plaat gelijk een stortduik met Long Legged Girl. Wat een vreselijk werkje is dat. Het is een uptempo nummer, maar er zit helemaal geen groove in. Slecht gezongen, slecht gespeeld, slecht opgenomen… Echt rotzooi. Welke debiel heeft dit nummer net na Almost In Love gezet?
Edge Of Reality is dan weer wat beter, maar mijn stemming is nog steeds verziekt door Long Legged Girl. Op zich is Edge nog niet eens zo’n slecht nummer, het is alleen erg blijven steken in de eind jaren 60. Hier is wel energie in gestoken, en dat kun je horen. Een mooie productie, en Elvis’ vocalen zijn sterk en geloofwaardig. Maar al met al toch erg matigjes.
Dan komt er een nummer van de beroemde Memphis sessies uit 1969, My Little Friend. Voor je nu uit je stoel spring, zeg ik maar gelijk dat dit echt prullaria is. Wat maar weer bewijst dat Presley ook bij zijn echte grote momenten als artiest pure rotzooi op kon nemen. Terecht bleef dit nummer een tijdje op de planken liggen totdat Camden het kon gebruiken voor Almost In Love.
A Little Less Conversation is dan weer een stuk beter, en sinds 2002 is dit één van zijn meest bekende nummers. Wie had dat in 1970 durven denken? De originele versie die we hier horen is toch wat saaier dan de NBC versie waar we inmiddels allemaal aan gewend zijn, maar het nummer heeft een lekkere groove, aardig wat pit en een Elvis die goed bij stem is. Eén van de betere nummers op deze LP.
Rubberneckin’ stamt ook van de befaamde Memphis sessies, maar ook dit is duidelijk één van de mindere nummers die toen opgenomen is. Door de uitstekende productie, de formidabele muzikanten en een enthousiaste Elvis is het nummer nog best te pruimen, maar echt gedenkwaardig is het niet. De achtergrond vocalen zijn wel eens beschreven als ‘lotsa black women having sex’. Kijk, da’s dan wel weer leuk voor een Elvis plaat.
Het hoogtepunt van deze LP is voor mij Clean Up Your Own Back Yard, dat net als A Little Less Conversation geschreven werd door Mac Davis. Een lekker vinnige country blues, mooi sarcastisch gezongen door Elvis, en ook de muzikanten achter hem zijn voortreffelijk. Een nummer dat meer erkenning verdient.

64310_10151338656747651_1826421442_n

Sommige mensen zien U.S. Male als één van de eerste lichtpuntjes aan het einde van Elvis’ tijdelijke verblijf in de Middeleeuwen. Ik weet het niet. Ik vind het een beetje een hufterig nummer, boers zelfs. In het verleden had Elvis zijn punk attitude zo mooi neergezet in nummers als Trouble, maar in dit geval doet het me helemaal niets. Een beetje teveel Alabama en niet genoeg Memphis.
Bij Charro! krijgen we een stevige dosis Spaghetti Western Elvis geserveerd. Eerder stak ik de draak met een potentiële live uitvoering uit 1976, wat in die context ook belachelijk geweest was, maar dit is beslist geen onaardig nummer. In ieder geval beter dan de film met dezelfde naam. Elvis zingt dit nummer met passie en drama, en hij houdt zich aardig staande in een grootse productie met een orkest dat toetert en blaast alsof ze Grammy materiaal spelen.
Stay Away, Joe is een soort country hoe-down uit de gelijknamige film uit ’68. Het is makkelijk om dit werkje gelijk tot de prullenbak te verwijzen, totdat je je realiseert dat dit nummer op dezelfde dag en maand opgenomen is als Elvis’ afgang op de Grand Ole Opry, op 2 oktober. Was dit dan 13 jaar later de wraak van Presley aan het adres van Jim Denny en al die uit de klei getrokken boeren daar in Nashville? Een andere eerste generatie rocker, Gene Vincent, zou twee jaar later voor zijn laatste LP The Day The World Turned Blue (1970) zijn eigen compositie Our Souls opnemen, en het opdragen aan zijn oude plaaggeest Don Arden. Naarmate hij het nummer sneller en sneller zingt, begint Our Souls meer en meer te klinken als ‘Assholes’! Kijk, dat is een muzikaal statement waar je wat mee kunt! Maar bij Elvis weten we eigenlijk wel dat hij heel weinig van zichzelf in zijn muziek legde, buiten een paar stroperige I-miss-you ballads in de jaren zeventig dan. Tja, we zochten naar een mening in het bestaan van Stay Away, Joe, maar we vonden ‘m niet. Jammer. Het is nog niet eens een ‘album filler’. Het is helemaal niets. Net als David Briggs kan ik er een beetje moedeloos van worden, als ik me realiseer dat dit dezelfde artiest is die ons ook zoveel moois gegeven heeft. Maar wellicht is het fenomeen Elvis wat makkelijker te begrijpen als je accepteert dat hij veel van zijn muziek maakte met dezelfde bezieling als iemand die bij McDonald’s hamburgers staat te flippen. Dat daar soms toch juweeltjes uit voortkwamen, ja, da’s toch mooi meegenomen.
Die vergelijking met McDonald’s gaat voor mij ook aardig op met Almost In Love. Net als die geraffineerde McDonald’s foto’s van hun voedsel ziet de cover van deze Camden plaat er smakelijk uit, maar als je er dan je tanden inzet voel je je toch enigszins bedonderd.
Je wordt er niet vrolijk van, de minachting die Presley duidelijk voor zijn publiek voelde. Elvis Apologists zien hem graag als een slachtoffer, die uitgemolken werd door zijn manager, zijn muziekuitgevers, Hollywood, en ga zo maar door. “Word toch wakker man!”, denk ik dan. Je onderschat Elvis. Hij had uiteindelijk alle touwtjes in handen en hij kon precies doen wat hij wilde. Het probleem was alleen: hij wilde niet zoveel. Elvis is waarschijnlijk de meest luie superster ooit. Ik kan op geen andere artiest komen die zo weinig werkte als Elvis, en die, áls hij dan werkte, er zich zo gemakkelijk vanaf maakte. Het interesseerde hem geen flikker dat zijn fans bagger kregen, als hij zelf maar kon blijven rondrijden in zijn Stutz Blackhawk. Het interesseerde hem geen donder dat zijn platenmaatschappij Having Fun With Elvis On Stage uitbracht, een live-plaat met nota bene alle songs eruit gesodemieterd, zolang meneer Presley maar kon blijven rondvliegen in zijn Lisa Marie. Elvis heeft ons in de loop der jaren vele malen de muzikale fuck-finger gegeven, en Almost In Love is daar het zoveelste voorbeeld van. Dat hij als artiest al die misstappen overleefd heeft (de mens is uiteindelijk aan verveling ten onder gegaan) en decennia na zijn dood nog steeds bewierookt wordt, onderstreept het feit dat hij, als hij er zin in had, gewoon de beste was en is. Zijn mooiste platen staan nog steeds als een huis. Op opnames als Mystery Train, Baby Let’s Play House, So Glad You’re Mine en Love Me hoor je en vóel je die mystiek die je tot hem blijft aantrekken. Luister ernaar en je vergeeft hem toch maar weer zijn minachting voor ons en al die bergen met rotzooi die hij over ons uitgekotst heeft.
Almost in Love? Ik denk het wel, maar niet door de hier belichte LP.

Arjan Deelen (1968) is een bevlogen muziekliefhebber die al jaren bands boekt, produceert en uitgeeft. Zo was hij onder meer de manager voor de rockers Robert Gordon en Chris Spedding, met wie hij ook samen de platenmaatschappij Climate Control opzette. Door zijn grote passie voor Presley heeft hij sinds 1985 een ware stortvloed van artikelen over hem geschreven voor diverse publicaties.